Seinstelsel 1955
- 28 aug 2025
- 10 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 21 okt 2025
Deze post kent de volgende hoofdstukken:
Seinstelsel 1955 (hét Nederlandse seinstelsel)
Uitvoeringen (laag, hoog, cijferbak)
Op de verschillende technische typen seinen als functievervuller wordt apart ingegaan. .
Seinstelstels algemeen
Een seinstelsel is een samenhangend geheel van seinbeelden en de betekenis van de opdrachten c.q. rijstoestemmingen die ze geven. Kennis van een seinstelsel omvat naast de betekenissen van de seinbeelden ook de algemene principes, kenmerken en samenhang van de seinbeelden. Kennis van het seinstelsel maakt het mogelijk om seinbeelden beter te begrijpen, en hun mogelijkheden en beperkingen te doorzien.
We kennen bijvoorbeeld rijweg- (of route-) en snelheidsseinstelsels. In een rijwegseinstelsel kan uit het seinbeeld afgeleid worden welke rijweg de trein na passeren van het sein zal volgen. De machinist moet dan op basis van de wegkennis de toegelaten snelheid voor zijn trein daaruit afleiden en zijn snelheid overeenkomstig aanpassen. Duitsland kent bijvoorbeeld zo’n routeseinstelsel.
In een snelheidsseinstelsel communiceert het sein met welke snelheid de trein het sein mag passeren en meestal ook welke snelheid bij het volgende sein bereikt moet zijn. In eerste instantie lijkt het er daarbij op dat wegkennis een minder belangrijke rol speelt, maar de machinist zal nog steeds moeten weten waar het (eerstvolgende) sein staat en het kunnen herkennen te midden van soms aanzienlijke visuele “vervuiling”. Zo is het voorgekomen dat bij het naderen van een station erg lastig was om een sein te identificeren te midden van een grote hoeveelheid gele natriumlampen langs een snelweg op de achtergrond.
Het huidige Nederlandse seinstelsel is een snelheidsstelsel, genaamd Seinstelsel 1955.
Oudere seinstelsels kunnen worden gevonden onder Geschiedenis - Tijdlijn en Overzicht
Seinstelsel 1955
Het Nederlandse lichtseinstelsel 1955 werd in 1955 formeel ingevoerd. Het wordt ook vaak aangeduid als seinstelsel ’54 naar het jaar van ontwerp, 1954.

Met het Nederlands seinstelsel wordt de verzameling lichtseinen en vaste seinen langs het spoor in Nederland bedoeld. Het primaire doel van het seinstelsel is het voorkomen van botsingen tussen treinen en het voorkomen van ontsporingen, maar er zijn ook seinen met een exploitatieve betekenis.
Alle seinen zijn terug te vinden in Regeling Spoorverkeer, bijlage 4.
Machinisten worden geacht de betekenis van alle seinen langs het spoor te kennen en er naar te handelen.
De basis van het seinstelsel vormen de lichtseinen. Ze geven informatie over de bezetting van het spoor, over de stand van het volgende sein en over de maximumsnelheid die een trein mag rijden. De lichtseinen worden aangevuld met andere seinen, zoals borden. Dit soort seinen geven bijvoorbeeld informatie over de maximumsnelheid voor een bepaald baanvak, over de kilometrering of een opdracht voor de machinist.
Met lichtseinen worden seinen bedoeld die rood, geel, groen of wit licht uit kunnen stralen. Lichtseinen zijn weer verder onder te verdelen in hoofdseinen en voorseinen.
Uitvoeringen
De onderstaande uitvoeringen zijn de meest voorkomende varianten. Er is echter veel variatie in seinen: er bestaan uitvoeringen met één of twee lampen, de kleuren kunnen in een andere volgorde gemonteerd zijn of het sein is een kwartslag gedraaid (onder perronkappen). De lampen kunnen gloeilampen zijn. Nieuwe seinen zijn uitgevoerd met LED-lampen.
Laaggeplaatste seinen (ook wel 'dwergseinen') worden voornamelijk gebruikt op emplacementen. Door hun relatief slechte zichtbaarheid ten opzichte van hooggeplaatste seinen mogen ze met hooguit 40 km/h voorbij worden gereden.
Hooggeplaatste seinen mogen met hogere snelheden voorbij worden gereden (afhankelijk van de plaatselijke snelheid en seinbeeld, uiteraard).
Een deel van de hooggeplaatste seinen is voorzien van cijferbakken. In deze cijferbakken kunnen wit verlichte cijfers getoond worden. Deze cijfers zijn bedoeld om informatie over snelheid mee te sturen; het getal moet met 10 vermenigvuldigd worden. Voorbeelden: geel 6 houdt in dat er afgeremd moet worden tot 60 km/h, groen knipper 8 houdt in dat het sein met maximaal 80 km/h gepasseerd mag worden.

Betekenissen
Groenvarianten

Een groen variant geeft toestemming heet sein te passeren met baanvak snelheid, eventueel met de lagere die dor het verlichte cijfer wordt aangegeven, of met 40 km/h bij laaggeplaatst sein of als de groene lamp knippert.
Hooggeplaatst groen licht: Voorbijrijden toegestaan met inachtneming van de plaatselijke snelheid. Indien bij vertrek de plaatselijke snelheid niet bekend is, is voorbijrijden met een snelheid van ten hoogste 40 km/h toegestaan.
Hooggeplaatst knipperend groen licht met een verlicht getal: Voorbijrijden toegestaan met ten hoogste de door het getal aangegeven snelheid. (getal * 10km/h)
Hooggeplaatst knipperend groen licht of laaggeplaatst groen licht: Voorbijrijden toegestaan met een snelheid van ten hoogste 40 km/h.
Seinbeeld GR met cijfer en de bediening bij nadering.
Bij de invoering van het seinbeeld GR met cijfer was onderkend dat een ten onrechte gedoofde lichtbak een veiligheidsprobleem zou kunnen opleveren. Ter ondervanging van dit probleem werd bepaald dat indien bij het seinbeeld GR een cijfer getoond moet worden, om het beginpunt van een variabele snelheidsbeperking aan te geven, ook een cijfer te tonen in het geval dat het seinbeeld GR geen snelheidsbeperking oplegt. Van de machinist werd daarbij dus verwacht dat hij op grond van zijn wegbekendheid en voorafgaande seingeving kon weten dat een desbetreffend sein nooit uitsluitend het seinbeeld GR mocht tonen en dat hij deze situatie, indien deze toch optrad, als een storingssituatie moest behandelen.
Schijnbaar paradoxaal zat het veiligheidsrisico echter niet zozeer in een ten onrechte gedoofde lichtbak als wel in de onvoldoende waarneembaarheid op afstand van een niet gedoofde lichtbak. In de normale situatie, bij vroegtijdige bediening, krijgt de machinist in het voorafgaande sein het seinbeeld GR, indien bij het sein voor de aftakking geen snelheidsbeperking geldt, of het seinbeeld GL+cijfer ter aankondiging van een snelheidsbeperking bij het sein voor de aftakking. De machinist weet dus wat hem te wachten staat. Dit wordt echter anders bij late bediening, in welk geval hij het voorafgaande sein kan passeren terwijl dit nog GL toont. Het vervolgens alsnog waarnemen van een seinbeeldverbetering van R naar GR in het volgende sein kan hem nu op het verkeerde been zetten, zelfs in het geval dat wel waarneembaar is dat er bij het seinbeeld GR een cijfer wordt getoond, maar dit cijfer nog niet leesbaar is en de machinist op grond van zijn verwachtingspatroon er ten onrechte van uit gaat geen snelheid te hoeven verminderen.
Het hieruit voortvloeiende veiligheidsrisico werd afgedekt door te bepalen dat in het geval dat het seinbeeld GR+cijfer moet worden getoond, om het beginpunt van een variabele snelheidsbeperking aan te geven, tevens bediening bij nadering moet worden toegepast. Hierbij werd het seinbeeld GR+cijfer eerst getoond indien de trein het sein tot op een afstand van maximaal 300 m was genaderd en het lichtcijfer als duidelijk waarneembaar kon worden verondersteld. Tot dat moment werd het seinbeeld GL getoond, waardoor het risico van een ten onrechte vroegtijdige snelheidsverhoging, als gevolg van misinterpretatie, drastisch werd gereduceerd. Hoewel dus primair niet bedoeld als maatregel tegen het gevaar van een ten onrechte gedoofde lichtbak, vormde de bediening bij nadering zodoende toch de belangrijkste bijdrage ter voorkoming van het gevaar van een ten onrechte gedoofde lichtbak. Het restrisico van de gedoofde lichtbak bleef beperkt tot de laatste paar honderd meter voor het sein, waar de trein al met een gereduceerde snelheid reed en het gaan tonen van het seinbeeld GR zonder cijfer op grond van de eerste bepaling slechts als storing kon worden geïnterpreteerd.
Groen knipper
In het kader van de discussies over een internationaal seinstelsel in de UIC, werd in 1958 het voorstel gelanceerd om bij het seinbeeld GR+cijfer altijd gebruik te maken van groen flikkerlicht (GRFL) om daarmee op eenduidige wijze aan de machnist kenbaar te maken dat bij dit seinbeeld een snelheidsaanduiding behoort en dit seinbeeld bij geen of onduidelijke aanduiding van de snelheid slechts een lage snelheid toelaat.
Na verkregen ministeriële toestemming werden de nieuwe seinbeelden naast de bestaande in augustus 1959 met het 5e wijzigingsblad op het SR 1954, herdruk 1956, onder hetzelfde nummer ingevoerd. Sein 202 SR kon nu getoond worden door zowel een hooggeplaatst flikkerend groen licht als een hooggeplaatst groen licht met daaronder een uit één of twee verlichte cijfers bestaand getal met de betekenis: "Voorbijrijden met de door het getal aangegeven snelheid toegestaan". Het oude seinbeeld GR3 (sein 202 SR) kreeg als tegenhanger het hooggeplaatst flikkerend groen licht, dat werd toegevoegd aan het bestaande laaggeplaatst groen licht (sein 206 SR) met dezelfde betekenis: "Voorbijrijden met lage snelheid toegestaan". Hoewel dit wel werd overwogen, werd er toch vanaf gezien om het laag geplaatst groen licht ook te laten flikkeren omdat men van mening was dat dit seinbeeld door de lage plaatsing reeds voldoende was bepaald.
Met de invoering van GRFL verviel nu de bediening bij nadering en de controle op de werking van de lichtbak. In plaats daarvan werd een veel eenvoudigere controle op de aanwezigheid van de knipperspanning aangebracht. Deze controlevoorziening zorgde ervoor dat, indien de knipperspanningsverzorging gestoord raakte, geen beter seinbeeld dan GL getoond kon worden. Een en ander werd in de nieuwe projecten vanaf 1959 direct meegenomen. In de reeds bestaande projecten werd het seinbeeld GR+Cijfer alsnog omgebouwd naar de nieuwe standaard, waardoor dit seinbeeld en de hieraan gekoppelde bediening bij nadering in korte tijd uitstierf.
Geelvarianten

Geelvarianten geven een opdracht tot snelheidsvermindering en rekenen op stoppen voor het volgende sein, tenzij een vast brandend of knipperend cijfer in de cijferbak wordt getoond.
Hoog- of laaggeplaatst geel licht: Snelheid begrenzen tot 40 km/h en afhankelijk van zicht en beremming met een zodanige snelheid verder te rijden om voor het eerstvolgende ('stop' tonende) sein te kunnen stoppen.
Hoog- of laaggeplaatst knipperend geel licht: Voorbijrijden toegestaan met maximaal 40km/h en op zicht (ROZ). Dit wordt meestal gebruikt voor een rijweg naar bezet spoor (om bijvoorbeeld twee stellen te combineren).
Hooggeplaatst geel licht met verlicht getal: Snelheid begrenzen tot de door het getal aangegeven snelheid. Deze snelheid moet bij het volgende lichtsein bereikt zijn.
Hooggeplaatst geel licht met knipperend getal: Snelheid begrenzen tot de door het getal aangegeven snelheid. Als het volgende lichtsein een verdere snelheidsbegrenzing gebiedt wordt de remming niet onderbroken.

Roodvarianten
Rood varianten, een hoog- of laaggeplaatst rood licht, hebben nooit een verlichte cijferbak, ze geven immers altijd de opdracht tot stoppen voor het sein.
Hoofdseinen en voorseinen
Hoofdseinen
Hoofdseinen kunnen ‘veilig’ of ‘onveilig’ tonen. De stand ‘veilig’ houdt in dat het gedeelte dat door het sein beveiligd wordt bereden kan worden; er staat dus niet een andere trein in de weg. Als eens sein ‘onveilig’ toont kan dat niet gegarandeerd worden. Een machinist moet altijd stoppen voor een onveilig sein, tenzij de verkeersleiding toestemming geeft om het sein te negeren (bijvoorbeeld bij een defect sein). Een lichtsein dat geen kleuren uitstraalt (alle lampen zijn uit) wordt voor de zekerheid altijd als onveilig sein beschouwd.
Voorseinen
Voorseinen zijn specifieke seinen die voor een hoofdsein geplaatst zijn. Ze geven geen informatie over de bezetting van het spoor tussen het voorsein en het hoofdsein, en kunnen daarom ook niet een rood aspect tonen.
De functie van voorseinen is om een snelheidsopdracht te geven; bijvoorbeeld een geel sein om af te remmen voor het volgende hoofdsein (dat rood toon). Ze zijn te herkennen aan de platte bovenkant van hun achtergrondscherm. Omdat in het Nederlandse seinstelsel elk sein in feite fungeert als voorsein van het daaropvolgende sein, worden voorseinen alleen daar geplaatst waar de afstand van het voorliggende sein te groot is, bijvoorbeeld op een beveiligd linkerspoor baanvak.
Extra seinen
Diverse seinen die bedoeld zijn voor extra informatie aan bepaalde trein categorieën of ter waarschuwing van werken in of bij het spoor.
Koeienkop

Richtingaanwijzer, geeft een aanduiding van de bestemming van de ingestelde rijweg. Wordt bij nieuwbouw en/of wijzigingen niet meer toegepast. Het sein werd in combinatie met een lichtsein toegepast en brandt alleen als het lichtsein uit de stand stop is en geeft aan in welke richting de rijweg is ingesteld.
Op plaatsen waar de informatie over de richting voor de machinist van belang is en die niet uit het seinbeeld blijkt (bijvoorbeeld bij een symmetrisch wissel, wordt de z’gn koeiekop' geplaatst. Dit is de enige toepassing van een position light singal” (een sein waarbij de plaats van de lichten de informatie die het doorgeeft bepaalt die in Nederland nog over is). De bovenste lamp geeft in combinatie met de onderste lamp aan naar welke kant de vertakking leidt. Het is dus in feite een sterk vereenvoudigde uitvoering van de Engelse “theater indicator” of “feather”.
De snelheid waarmee het wissel mag worden bereden wordt getoond door de lichtseinen en bewaakt door de de ATB, c.q. ETCS. Dienstregelingstechnisch levert een verkeerd ingestelde rijroute veel gedoe op. Vandaar dat er soms koeienkoppen staan, zodat de machinist kan zien of de goede rijweg is ingesteld.
X/G-seinen

X/G-seinen gelden alleen voor de daarvoor aangemerkte goederentreinen en wordt gebruikt bij tunnels. Een trein die voor een stoptonend sein in de tunnel tot stilstand komt en dan niet meer in staat is om de helling op te rijden moet als de X brandt, bij de X stoppen. Een knipperende X betekent passeren met 40 km/u, een G betekent doorrijden, de hele “route” door de tunnel en een stuk daarachter is beschikbaar. Verder moet de trein de aanwijzingen van het bijbehorende hoofdsein opvolgen.
Net na het in gebruik nemen van de Hemtunnel verscheen in het Matblad in 1983 een uitgebreide beschrijving van de toepassing van tunnelseingeving.
Nadering Willemsspoortunnel bij vertrek van Rotterdam Centraal, foto links met X-sein (foto MW), midden met G-sein (naast het sein dat Groen toont) en foto rechts entreesnelheidsbord; twee foto's van YouTube, rcFred.
L-H-seinen

LH-seinen zijn bedoeld, speciaal daarvoor aangewezen goederentreinen. Deze seinen zorgen ervoor dat ze ruim voor bepaalde obstakels meestal een helling naar een brug, tot stilstand komen en niet op die helling, zodat ze na het oprijden voldoende vaart kunnen maken om de helling te kunnen nemen. Bij een brandende L moeten zware goederentrein afremmen om voor een volgende H te kunnen stoppen, bij een brandende H moeten diezelfde treinen voor dit sein stoppen. Dit sein mag door alle overige treinen, zoals reizigerstreinen, worden genegeerd.

Herhalingssein

Sein dat een seinbeeld herhaalt. Het herhalingssein gaat vooraf aan een hoofdsein. Dit wordt vooral toegepast op plaatsen waar de zichtlengte te kort is om het lichtsein bijtijds te kunnen zien. Denk aan een boog, kruisende infrastructuur of een perronkap. De mogelijke seinbeelden zijn: Diagonaal (stijgende lijn van linksonder naar rechtsboven): het eerstvolgende lichtsein toont een beter seinbeeld dan 'geel knipper'. (Het eerstvolgende lichtsein laat voorbij rijden toe). Horizontaal: Het eerstvolgende lichtsein toont 'rood' of 'geel knipper' (resp. 'stoppen', 'rijden op zicht'). Dit sein wordt bij voorkeur niet toegepast. Pas als een ontwerp niet anders kan wordt er bij uitzondering gebruik van gemaakt.
ATB-Codewisselsein
Aanduiding van het tonen van een cabinesein dat een snelheidsbegrenzing oplegt. Wordt geplaatst op een locatie waar een ATB codewisseling naar een restrictiever cabinesein kan plaatsvinden zonder dat dat een sein geplaatst is. Bedoeld is een locatie waar de codewisseling zo in het ontwerp is opgenomen, een cabinseinverslechtering kan in principe overal plaatsvinden als een veiligheidsvoorwaarde niet (meer) vervuld is en het sein “terugvalt”.
Codewisselsein, foto rechts: YouTube, Arjan V., locatie Den Dolder

Vertreksein
Witte lamp die geplaatst wordt op het perron om de conducteur aan te geven dat de trein mag vertrekken. Zie het artikel in Wikipedia.
WIDO
WIdo bij station Breda, YouTube, Machinist Stefan.
Waarschuwingsinstallatie dienstoverpaden. Bestaat uit een paal met daaraan 2 naar beneden gerichte lamphuizen. Als beide lampen continu branden betekent dit dat er geen trein aankomt. Als de lampen alternerend branden is er een trein in aantocht.
Bronnen en Links:
European Railway Signalling, IRSE textbook, ISBN 0-7136-4167-3, chapter 4 Signals.



















Opmerkingen